Organisatie en aanbod - Vakgebieden en methodes

Organisatie en aanbod

Vakgebieden en methodes

Godsdienstige vorming/dagopening

Elke dag starten we met de dagopening en godsdienstige vorming met de methode Trefwoord. We beginnen de dag met gebed en eventueel een lied en een korte inleiding op het thema van die dag. Op maandag is er meer aandacht voor gesprekken/opening van de week et cetera.

Centraal in Trefwoord staat de leefwereld van kinderen. Zij worden uitgedaagd om aan de hand van eigentijdse en Bijbelverhalen na te denken over levensbeschouwelijke thema’s die vanuit drie domeinen worden belicht.

  1. Bronnen en tradities: welk licht laten de levensbeschouwelijk bronverhalen op het thema schijnen? De meeste bronverhalen zijn afkomstig uit de Bijbel (de joods-christelijke traditie). Ook verhalen uit andere levensbeschouwelijke tradities komen aan bod, zoals de islam, het hindoeïsme en het boeddhisme
  2. Kind: voor welke vragen en dilemma’s komen kinderen in hun eigen leefwereld te staan? Die vragen en dilemma’s bevinden zich op sociaal-emotioneel terrein.
  3. Samenleving: welke rol speelt het thema in de samenleving? De bijdragen geven een eigen kijk, waarbij de actualiteit het uitgangspunt is.

Sociaal-Emotioneel Leren

Vanuit de methode Kwink werken we aan doelen voor Sociaal-Emotioneel leren (SEL). Dat doen we met lessen uit de methode, maar omdat de doelen vakoverstijgend zijn, integreren we die ook in andere lessen.

Onder SEL-lessen vallen ook doelen voor seksuele vorming. Voor deze lessen maken we gebruik van Kriebels in je buik, een digitale methode met een doorlopende leerlijn voor de groepen 1 tot en met 8. Het doel van de lessen is dat kinderen zich kunnen ontwikkelen tot personen die: 

  • Respect hebben voor zichzelf en anderen 
  • zich bewust zijn van hun eigen en andermans gevoelens, wensen, grenzen, opvattingen en mogelijkheden 
  • steeds betere beslissingen kunnen nemen op het gebied van relaties en seksualiteit.

Basisvaardigheden

50% van de leertijd gebruiken we voor het inoefenen van de basisvaardigheden rekenen, lezen en taal. Om te bepalen welk niveau uw kind heeft, toetsen we dit in ieder geval twee keer per jaar. Leesvaardigheid toetsen we met de AVI-leestoetsen en de zogeheten Drie Minuten Toets (DMT). Spellingsvaardigheid toetsen we met de Cito-Leerling in Beeld spellingtoets en begrijpend lezen met Cito-Leerling in Beeld begrijpend lezen. Daarnaast worden de Cito-toetsen begrijpend luisteren en woordenschat gemaakt door de kinderen. Voor rekenen maken we gebruik van Cito-Leerling in Beeld toetsen Rekenen-Wiskunde en de toets basisvaardigheden.

Leesonderwijs

Het is belangrijk dat uw kind leert lezen. Daarbij maken we onderscheid tussen technisch lezen (uw kind moet vlot de woorden kunnen lezen) en begrijpend lezen (uw kind moet ook begrijpen wat hij leest en belangrijke informatie uit een tekst kunnen halen). Voorlezen en samen lezen helpen de kinderen bij het leren lezen.

 

Technisch lezen

We werken met de LIST-methodiek. LIST staat voor Lees Interventie-project voor Scholen met een Totaalaanpak. Maar de afkorting wordt ook wel vertaald naar Lezen IS Top, omdat binnen deze methodiek leesmotivatie de grootste sleutel is tot het vloeiend en vlot kunnen lezen van teksten.

 

Voorbereidend lezen

Bij het voorbereidend lezen werkt LIST met een essentieel thema vanuit een prentenboek. Hieraan worden geletterde activiteiten gekoppeld, maar het LEESPLEZIER is ook zeer belangrijk! De groepsmomenten worden ingevuld met herhaald interactief voorlezen, creatief, communicatief schrijven en letters en leeshandeling.

Elke kleuterklas heeft ook een gezellige boekenhoek waar de kleuters verschillende boeken kunnen ontdekken en in kunnen snuffelen.

 

Aanvankelijk lezen

De leesles is opgedeeld in zes vaste onderdelen van 15 minuten. Bij het aanvankelijk lezen gebruiken we de methode Veilig leren lezen als bron. De lettervolgorde van de methode blijft van belang en de leesboekjes die bij de aanvankelijk leesmethode horen gebruiken we als leesmateriaal. Niet alle oefeningen in de werkboekjes worden gemaakt. Belangrijk bij het leren lezen is dat altijd het letterteken en de letterklank aan elkaar gekoppeld worden. Zo zien en horen de kinderen de letter en is dit onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Door te schrijven wordt ook de motorische vaardigheid geoefend en worden de letters ook via motoriek ingeoefend. Centraal staan het leesplezier, een passend aanbod bij het niveau van het kind en creatief schrijven. Na de instructie van de nieuwe letter oefenen de kinderen onder begeleiding van de leerkracht met het lezen en schrijven van woorden met de nieuwe letter. Daarna leest de leerkracht teksten met de nieuwe letter in stukjes voor en vervolgens lezen de kinderen in koor dezelfde tekst. Tot slot lezen de kinderen in tweetallen de geoefende tekst. Iedere onderwijsdag leest de leerkracht een kwartier per dag voor en lezen de kinderen ook zelfstandig in boekjes. De leerkracht houdt regelmatig een boekenbabbel. Daarnaast wordt er dagelijks tijd besteed aan creatief schrijven.

 

Voortgezet lezen

Nadat de kinderen het proces van aanvankelijk lezen hebben afgerond - halverwege groep 4 - koppelen we het technisch lezen los van taal. Bij het technisch lezen staan vooral motivatie en leesbeleving centraal. Daarom hebben we veel leesboeken die rijk aan taal zijn en goed aansluiten bij de belevingswereld van de kinderen. Lezen is geen doel, maar een middel om informatie tot je te nemen. Lezen leer je door het maken van veel kilometers. We doen dit met de LIST-methodiek. Twee of drie keer per week begint de leesles met een mini-les. Een miniles is een kleine motiverende instructie voorafgaand aan het vaste leesmoment. Het is bedoeld om de kinderen in de leesstand te krijgen en hen in hun boek te laten duiken. Het is een leesbevorderende activiteit en gaat daarom altijd over een algemeen onderwerp dat bij alle leesboeken past. Een goede miniles is kort (vijf tot tien minuten), vindt plaats aan het begin van de leestijd met een kort evaluatiemoment aan het eind, legt verband met wat de kinderen op dat moment lezen en heeft een relatie met een goed bestaand kinderboek.

In het begin gaat het lezen nog niet zo vlot en moeten de kinderen ook nog de moeilijkere en langere woorden leren lezen. Deze kinderen noemen we HOMMELS (AVI E3 tot en met E4). Hommel staat voor hardop-ondersteund-meelezen; zo worden moeilijkere leesopgaven geoefend. Daarnaast lezen de kinderen met een groepsgenoot. Dit heet duo-lezen.

Als de kinderen alles goed kunnen lezen (vanaf AVI E4) moeten ze vooral veel blijven oefenen om soepel en vlot te kunnen lezen. Hoe beter het lezen gaat, hoe meer ze kunnen genieten van de inhoud van de boeken.  Deze kinderen zitten in de stilleesgroepen. Naast de minilessen en leesgesprekjes zijn de kinderen vooral aan het lezen in een boek dat ze zelf hebben uitgezocht. Ze worden ook enthousiast gemaakt om eens verder te kijken dan hun eigen voorkeur, zodat ze ook met andere soorten teksten kennismaken. Tijdens het lezen geldt de regel: lezen is lezen. Niet even naar de wc en ook het uitzoeken van boeken gebeurt op een ander moment. Alle kinderen hebben een reserveboek op de tafel en lezen minimaal 20 minuten aaneengesloten stil in hun boek, zodat ze echt in het verhaal kunnen komen.

 

Extra ondersteuning

Kinderen die onvoldoende vorderingen maken, krijgen in de groep extra instructie en oefentijd om zo het lezen nog eens goed te oefenen en nog meer kilometers te maken. Dit noemen we laag 2. Kinderen in de middenbouw die het lezen onvoldoende onder de knie krijgen, volgen per week drie keer extra leesles buiten de groep. Dit noemen we laag 3. Als na de periode van extra ondersteuning buiten de groep de vorderingen nog heel klein zijn, kijken we of er een aanvraag voor een dyslexie-onderzoek gedaan kan worden. Dit gebeurt natuurlijk altijd in samenspraak met de ouders.

Begrijpend Lezen

We werken voor begrijpend lezen met de methode Nieuwsbegrip. Nieuwsbegrip koppelt onderwijs in begrijpend lezen aan de actualiteit. Die actualiteit zorgt voor een functionele context, meer betrokkenheid en daardoor een hogere motivatie van de kinderen. Daarnaast werken ze met Nieuwsbegrip aan de uitbreiding van hun woordenschat en kennis van de wereld. Elke les bevat een opdracht rond de begrijpend leesstrategie van de week.

Nieuwsbegrip richt zich op: 

  • het aanleren van leesstrategieën 
  • het toepassen van leesstrategieën op steeds nieuwe en andere teksten.

Daarnaast is er aandacht voor woordenschat.

Leesstrategieën

Bij Nieuwsbegrip staan steeds vijf strategieën centraal.

  1. Voorspellen Hierbij draait het om de oriëntatie op de tekst en het activeren van de voorkennis. Deze voorkennis vormt dan een kapstok waaraan de kinderen nieuwe informatie ophangen en zo gerichter de tekst lezen.
  2. Ophelderen van onduidelijkheden Hierbij wordt een woordafleidstrategie aangeboden oftewel manieren om de betekenis van woorden uit de context af te leiden. Ook het expliciet controleren van het eigen begrip (monitoren) valt onder deze strategie. De woordhulp is hierbij een belangrijk onderdeel. 
  3. Samenvatten Achteraf samenvatten van een tekst helpt om bewust stil te staan bij de kerninformatie van de tekst. Door deze te verwoorden, maakt een kind zich de tekstinhoud beter eigen en kan hij deze ook beter onthouden. 
  4. Vragen stellen Vragen stellen bevordert het actief lezen. Een actieve lezer houdt tijdens het lezen in de gaten of zijn vragen ook beantwoord worden en/of krijgt nieuwe vragen. 
  5. Verbanden leggen 

Dit vormt de kern van het begrijpend lezen. Het kind wordt aangespoord bewust stil te staan bij verbanden tussen informatie in verschillende tekstdelen en tussen teksten en hun eigen kennis. Er wordt aandacht besteed aan tekststructuur en aan zogeheten signaalwoorden. Dit zijn woorden die de lezer op het spoor zetten van belangrijke relaties als oorzaak-gevolg, doel-middel, et cetera. Op de lagere niveaus schenken we veel aandacht aan verwijswoorden. 

Taalonderwijs

Ons taalonderwijs bestaat uit Taal, Woordenschat en Spelling. Er wordt op vaste tijden in stamgroepen gewerkt aan de leerstofdoelen, voornamelijk uit de methode Taal actief.

  • Taal: dit bestaat uit taalverkennen (grammatica), schrijven, spreken en luisteren. Alles komt samen in het onderdeel presenteren, zoals een spreekbeurt houden.
  • Woordenschat: dit is extra aanvullend op de taalmethode. Een rijke woordenschat helpt de kinderen de wereld om zich heen beter te begrijpen. Door het vergroten van hun woordenschat kunnen ze ook beter duidelijk maken wat ze bedoelen. In de onderbouw is er veel aandacht voor de mondelinge taalvaardigheid en het vergroten van de woordenschat. Hiervoor zetten we de methode LOGO 3000 structureel in.
  • Spelling: we werken met doelen vanuit leerlijnkaarten waarin de verschillende spellingscategorieën aan bod komen.

De onderdelen taal/spelling/woordenschat zijn in leertijd verdeeld over blokken van vier weken van een uur per dag.

Vanuit de methode werken we toe naar de doelen zoals die beschreven zijn in het Referentiekader. Het Referentiekader taal beschrijft voor alle taaldomeinen wat kinderen moeten kennen en kunnen op verschillende momenten in hun onderwijsloopbaan. De methode werkt toe naar deze doelen. Wij werken toe naar het behalen van de 1F-doelen van het Referentiekader. Het fundamenteel niveau (1F-doelen) is de basis die zoveel mogelijk kinderen moeten beheersen.

Rekenonderwijs

Voor het rekenonderwijs werken onze kleuters aan doelen met de methode Met Sprongen Vooruit. Vanaf groep 3 gebruiken we de methode De Wereld in Getallen 5. Hierin staan de volgende principes centraal.

 

Rekenen vanuit begrip

Rekenen is overal! Daarom wordt het lesdoel vanuit een herkenbare, realistische situatie geleerd. Zo blijft rekenen niet beperkt tot het maken van sommetjes, maar leren kinderen vanuit dagelijkse situaties rekenvraagstukken op te lossen.

 

Automatiseren met de rekenmuur 

Leren rekenen is een bouwwerk. Eerst moet een solide fundament worden gelegd. Daarop wordt doorgebouwd. Een ontbrekende steen resulteert in een wankel bouwwerk. Om een stevige rekenbasis te leggen moeten kinderen niet alleen de juiste antwoorden weten, maar deze ook snel kunnen geven. Pas als je het beheerst mag je op tempo oefenen.

 

Werken met het handelingsmodel

Binnen het handelingsmodel is het eerste niveau het doen. De kinderen voeren de opdracht uit door te doen. Bijvoorbeeld: de kinderen leren de hoeveelheid tien kennen door het gebruiken van een volle eierdoos. Bij de som 1+5 hebben de kinderen een eierdoos met daarin één ei. Het kind vult deze doos aan met vijf eieren en ziet dat er dan zes eieren in de doos zitten. Het uitvoeren van deze opdracht gebeurt letterlijk met eierdozen.

 

Voorstellen - concreet (foto)

In het tweede niveau van het handelingsmodel komt de situatie van het eerste niveau terug op papier. De kinderen kunnen de situatie zelf op papier tekenen of zichzelf vanaf papier een voorstelling maken van de situatie. Voor het voorstellen kunnen ze ook gebruikmaken van het digibord waarop ze de situatie namaken. Dit is niet meer de echte situatie, maar meer een foto hiervan.

 

Voorstellen - abstract (schema)

Het derde niveau binnen het handelingsmodel is het abstract voorstellen van de situatie. De kinderen leren een tekening maken van de som die zij zien en kunnen benoemen wat er gebeurt. Zij zeggen of het een plus- of minsom is en wat dit betekent voor de hoeveelheid: wordt die meer of minder? De kinderen kunnen vertellen waarom ze iets doen en waarom ze dit zo tekenen of fiches gebruiken in plaat van eieren in dozen. Ze leggen de fiches dan neer in de structuur van de eierdoos om de situatie na te bootsen.

 

Formeel handelen (som)

Het formeel handelen is dat de kinderen de kale sommen kunnen oplossen. Ze kunnen hierbij nog gebruikmaken van denkmodellen. Ze zien als het ware de situatie/de foto/het schema in hun hoofd en weten wat en waarom ze het doen en kunnen dit uitleggen.

Zo kunnen de kinderen altijd meedoen met rekenen. Het ene kind is nog heel concreet met materiaal aan de gang en het andere kind lukt het al om de formele som op te lossen. Vanuit de methode werken we toe naar de doelen zoals die beschreven zijn het Referentiekader. Het Referentiekader rekenen-wiskunde beschrijft voor alle rekendomeinen wat kinderen zouden moeten kennen en kunnen op verschillende momenten in hun onderwijsloopbaan. De methode werkt toe naar deze doelen. Wij werken we toe naar het behalen van de 1F-doelen van het Referentiekader. Het fundamenteel niveau (1F-doelen) is de basis die zoveel mogelijk kinderen moeten beheersen.

Bloktijd

Bij ons staat bloktijd op het rooster. Dit is flexibele onderwijstijd in de basisvakken taal, lezen en rekenen.  We hebben hiervoor gekozen omdat elk kind op een ander gebied meer tijd nodig heeft. Waar de een beter kan lezen en meer tijd nodig heeft voor rekenen, kan de ander juist goed rekenen, maar vindt het begrijpen van een tekst moeilijk. Zo spreken we per kind af voor welk vak hij verlengde onderwijstijd krijgt en wat er tijdens deze tijd aangeboden wordt. Dit noemen we vaak laag 2: extra ondersteuning in de groep. Deze extra ondersteuning kan extra oefentijd en/of extra instructietijd zijn.

Schrijven

We werken met de methode Schrijven in de basisschool. We hebben aandacht voor het aanleren van een goed verbonden en duidelijk leesbaar schrift. Kinderen bij wie dit niet lukt, of kinderen die op hun vorige basisschool het losschrift is aangeleerd, bieden we het losschrift aan. Regels als hoofdlettergebruik, ruimte tussen de woorden laten en de zin afsluiten met een punt komen ook aan de orde. Doelen van schrijven worden ook in andere lessen geïntegreerd en de aangeboden leerstof wordt in de andere lessen toegepast.

Bewegingsonderwijs/gymnastiek

Onze vakleerkracht bewegingsonderwijs geeft de lessen. Tijdens de ene les per week staat vooral sociaal gewenst gedrag centraal en worden vaardigheden met de kinderen geoefend met sport- en spelactiviteiten. We noemen dit Stop-Stoer-Doen. Bij de andere les per week draait het vooral om de verschillende doelen en vaardigheden voor bewegingsonderwijs. De kleuters bewegen inclusief de gymlessen iedere dag minimaal twee keer, door buiten- of binnenspel.

Wereldoriënterende vakken

Onder wereldoriëntatie verstaan we aardrijkskunde, geschiedenis, biologie, verkeer en gezond gedrag. Wij voegen al deze vakken in het thematisch werken. Bij het ontwerpen van de lessen gebruiken we de kerndoelen van wereldoriëntatie en werken die in verschillende thema’s uit. Vanuit de eigen leefwereld van de kinderen willen we hen stimuleren om vanuit een onderzoekende houding zelf op zoek te gaan naar antwoorden bij vragen die ze hebben over de onderwerpen die bij het thematisch werken aan bod komen.

We werken met leerlijnkaarten waarop de kerndoelen bij elk thema beschreven staan. Elk jaar maken we een nieuwe planning. In een periode van drie jaar komen alle kerndoelen aan bod. Kindcentrumbreed werken we aan het thema en per bouw wordt dit verder uitgewerkt. Vanuit een sturende en coachende rol van de leerkracht werken we aan verschillende onderzoeksvaardigheden door onderzoekende vragen te stellen, verwondering te tonen voor, interesse te wekken voor, te focussen op waarnemingen, materiaal aan te bieden en stil te staan bij de voorkennis van kinderen.  

De leerkracht geeft informatie (kennisoverdracht) over het onderwerp/thema met directe instructie (sturend) waarbij de doelen (problemen/vragen) duidelijk worden gesteld en zichtbaar gemaakt. Samen met de kinderen worden doelen opgesteld. Door verschillende werkvormen (coöperatief werken, heterogene tweetallen) aan te bieden leren kinderen samen te discussiëren over de leerstof, elkaar uitleg en informatie te geven, elkaar te helpen en samen te zoeken naar een oplossing. De leerkracht heeft hierbij een coachende rol. Het uiteindelijke product wordt in de groep gepresenteerd met bijvoorbeeld een muurkrant, PowerPoint of handvaardigheid. Vanuit deze pedagogische veilige en uitdagende omgeving leren de kinderen waar hun interesses liggen, weten ze wat hun talenten zijn, krijgen ze inzicht in eigen kunnen en kunnen ze relaties aangaan en onderhouden. De kinderen worden zo goed voorbereid om zich staande te kunnen houden in de toekomstige maatschappij.  

Burgerschap

Burgerschap is geen apart vak, het zit verweven in ons onderwijs. Wij dagen de kinderen uit om na te denken over hun rol als burger in Nederland. Bij burgerschap gaat het om de bereidheid tot en het vermogen om deel uit te maken van de gemeenschap en om daar actief een bijdrage aan te leveren. Als burger moet je je betrokken en verantwoordelijk voelen voor de maatschappij. Die betrokkenheid en verantwoordelijkheid zien wij als een deel van de identiteitsontwikkeling. Wij stellen deze onderwerpen binnen diverse vakgebieden aan de orde, onder andere in onze wereldoriëntatievakken, ons godsdienstonderwijs, de sociale vorming en binnen de thema’s die we in de groepen 1 tot en met 8 behandelen.

Verkeer

Met de digitale lessen van Veilig Verkeer Nederland (VVN) praten we met de kinderen over veilig deelnemen aan het verkeer en over kennis van verkeersborden en regels. In groep 8 wordt het verkeersonderwijs afgesloten met een verkeersexamen. Dit examen bestaat uit een theoretisch en een praktisch gedeelte.

Engels

In het basisonderwijs maken kinderen een start met het communiceren in het Engels. De kerndoelen Engels gaan dan ook over communicatieve vaardigheden: luisteren, (durven) spreken, lezen en in mindere mate schrijven. De nadruk ligt op luisteren en spreken en daar komen geleidelijk ook lezen en schrijven bij. Wij maken voor het aanleren van deze vaardigheden gebruik van de methode Sterk Engels en geven Engelse les in de groepen 7 en 8. Met de software die we gebruiken kunnen we elk kind een gepersonaliseerd, adaptief programma bieden. De communicatieve vaardigheden zoals luisteren, (durven) spreken en lezen worden getraind. De kinderen krijgen één les Engels per week en kunnen zelfstandig op hun Chromebook verder oefenen met de oefeningen en games die op hun persoonlijke niveau worden klaargezet.

Maken en ontdekken (MEO) en Talentontwikkeling (TO)

Maken en ontdekken vindt plaats in de groepen 4 tot en met 6 en Talentontwikkeling in de groepen 7 en 8

Leren door doen staat hierbij centraal. Onze kinderen leren vaak door te doen. Door actief en ontdekkend bezig te zijn willen we hun welbevinden en betrokkenheid verhogen. Daarbij brengen verdieping aan door hen juist tijdens deze lessen de aangeleerde basisvaardigheden te leren toepassen in de praktijk. Tijdens deze lessen is ook ruimte voor het aanleren en oefenen van vakoverschrijdende vaardigheden, zoals doelen stellen, plannen, problemen oplossen, computervaardigheden en sociaal-emotionele vorming.

Talentontwikkeling bestaat uit twee onderdelen:

  1. waar zijn de kinderen goed in en waar willen ze zich meer in verdiepen
  2. welke vaardigheden hebben ze nodig (voor de toekomst) en waar hebben ze extra oefening/tijd/instructie voor nodig.

Door het samenstellen van een gevarieerd keuzeprogramma willen we tegemoetkomen aan beide onderdelen van TO en kinderen bewustmaken van het werken met doelen. Tussen elke vakantie staat een blok TO op het programma. Kinderen kunnen steeds voor verschillende TO-blokken kiezen. Een aantal zijn verplicht, zoals Engels, computervaardigheden of Rots en Watertraining. Verder kunnen ze verschillende keuzes maken, bijvoorbeeld techniek, toekomstkunde, programmeren, kunst, muziek, koken, foto en film, enzovoorts. Er zijn per TO-vakgebied doelen waaraan de kinderen werken en ze kiezen een eigen doel. Aan het eind van een ronde behalen ze een certificaat en dit komt in hun rapport.

.